“Mama, ben je gelukkig vandaag?” vraagt Lucas mij heel plots. We zitten/liggen op een kampeermatje op het lentefeest van papa’s petekind Josse.
Tot het allerlaatste moment hebben we getwijfeld of we wel met vier zouden gaan, dan wel alleen papa en Ruth. Dat blijft steeds een hele afweging: het infectiegevaar versus de afleiding en het gevoel dat hij er toch ook bij is, wat bijna altijd helpt om Lucas aan het eten te krijgen.
Ik wik mijn woorden een fractie van een seconde. “Als jij helemaal gezond zou zijn en je helemaal oppie toppie zou voelen, dan zou ik dolgelukkig zijn” zeg ik naar waarheid. “Maar nu je zo ziek bent, ben ik heel blij met elk moment dat we samen leuke dingen kunnen doen, zelfs al betekent dat dat jij en ik tijdens een feest gewoon op een matje op de grond liggen, omdat je zo moe en slap bent. Dat maakt mij nog altijd veel gelukkiger dan als jij en ik nu niet op dit feest zouden zijn.”
Lucas kruipt nog dichterbij en kruipt met zijn hoofd in mijn schoot. “En jij, Lucas?” vraag ik. “Ben jij gelukkig?” Hij pakt mijn arm, geeft er een zoen op en legt hem onder zijn hoofd. Een welsprekender antwoord kon hij niet geven …







